15 december 2019

Zie je wel

Fris ziet ze er uit als ze binnenkomt. Krachtig ook, een trotse jonge vrouw. Ze gaat zitten, zegt: ‘Hi’. Een tikje cynisme meen ik te bespeuren. Cynisme op haar eigen verschijning? We weten alle twee dat we hier niet voor de gezelligheid zitten.
Ze kijkt me kort aan, dan wendt ze haar blik af. Ik neem het woord. De boodschap is een moeilijke. Toch reageert Yasha nauwelijks. Ze knikt. Ze weet hoe het er voor staat.
‘Ok’ zegt ze, als er een stilte valt. Haar hoofd buigt iets dieper. Ze aanvaardt de maatregelen. Ze accepteert wat ik zeg, als een straf.

‘Hoe komt het dat je steeds zo achter raakt?’ vraag ik. Yasha zwijgt en haalt haar schouders op.
‘Ik ben gewoon stom geweest’ zegt ze. ‘Gewoon heel erg stom’. Ik voel hoe haar trots schuurt met de situatie en denk aan haar geschiedenis, die ik maar zo deels ken.
‘Stom?’

Zichzelf Stom vinden geeft Yasha houvast. Zolang het haar eigen schuld is, lijkt de achterstand onder controle, binnen haar macht. De straf heeft ze al lang geïncasseerd. Ze zal moeten stoppen met haar studie. Omdat ze niet goed genoeg is, niet hard genoeg heeft gewerkt, onvoldoende inzet heeft getoond. Stom. Maar onder controle. 
Het zichzelf Stom vinden hélpt haar niet. Sterker nog: het slaat haar lam. Ze doet al weken bijna niets meer en houdt de schijn van functioneren zo hoog als mogelijk op. Totdat dat niet meer lukt. En dat is al zo vaak gebeurd. ‘Zie je wel. Ik kan het niet, het heeft ook helemaal geen zin.’

En zo vervalt Yasha in een patroon. Een messcherp patroon, haar trots in kleine stukjes tussen ons in.

Als ik haar een andere optie voorhoud; de straf niet incasseren, maar blijven, langer studeren, aandacht geven aan wat haar in de weg zit - breekt voorzichtig het strenge, de innerlijke afkeuring. Er verschijnt er een klein meisje, een trillende lip, angstige ogen. Dan komt het verlangen. ‘Kan dat echt?’
‘Het kán.’Zeg ik. ‘Ja. Maar wat heb jij er voor nodig?’


In de weken die volgen neemt Yasha de uitnodiging om iets anders te doen dan wat haar eerste impuls haar ingaf, haar hoofd buigen en zich laten straffen, aan: ze geeft zichzelf toestemming om langer te studeren en op zoek te gaan naar een manier van studeren die bij haar en haar omstandigheden past.
Als ik haar een paar weken later in de gang tegenkom is haar rug recht. De trotse jonge vrouw is terug. Minder cynisch is ze ook, ze kijkt me gewoon recht en open aan.
Zie je wel, denk ik, steeds dat ik haar zie. Zie je dat je het bent: goed, slim, getalenteerd genoeg. En vooral: dapper en wijs genoeg om die stap te zetten, het onbekende in, op naar een plek waar je weer iets te leren hebt.

De naam van de student in deze tekst is om privacy redenen gefingeerd. De tekst is gebaseerd op een daadwerkelijk gesprek, maar aangepast met het oog op de leesbaarheid.

Pedagogisch: Het is voor een opleiding soms een lastige spagaat: studenten die onvoldoende functioneren of presteren. Ze kosten geld, tijd, aandacht. Soms is het trekken aan een dood paard. Het lijkt dan gemakkelijker of zelfs beter om een student maar te laten stoppen. En soms is dat ook daadwerkelijk zo.
Ik denk echter dat in onderwijsinstellingen veel meer aandacht besteed kan worden aan wat ik ‘interne omstandigheden’ zou willen noemen: persoonlijke overtuigingen die belemmerend zijn voor de ontwikkeling. In veel opleidingen wordt dat gezien als iets wat buiten het curriculum valt en dus iets wat de student zelf moet regelen. Ik pleit er voor persoonlijke ontwikkeling en dus aandacht voor dat wat intern belemmerend is een plek te geven IN het onderwijs. Ik ben er van overtuigd dat de leeropbrengst daarmee vergroot wordt.
Maar bovenal: door aandacht te besteden aan ‘interne omstandigheden’, doen we wat, wat mij betreft, de belangrijkste taak is van onderwijs: we helpen iemand ontwikkelen.
Als we hadden meegewerkt aan de Zie je wel van Yasha en haar dus hadden laten stoppen met haar studie, dan hadden we haar bevestigd in haar overtuiging over zichzelf (zie je wel ik ben hier ook veel te ---vul maar in voor).  Die overtuiging zal haar remmen in elke ontwikkelingsmogelijkheid die zich voordoet in haar leven.  
Aan ons onderwijsgevenden is het wat mij betreft de taak studenten te doen inzien dat ze ook anders naar zichzelf kunnen kijken en zich kunnen bevrijden van wat de ontwikkeling in de weg zit.

Thematisch: op jonge leeftijd horen wij boodschappen van onze ouders. Soms worden die boodschappen letterlijk uitgesproken (je zus kon de tafels al in groep 5), veel vaker trekken we zelf conclusies uit impliciete boodschappen van belangrijke mensen in ons leven (mijn moeder moet altijd huilen als ik boos ben, dus ik kan beter niet boos zijn).
Een dergelijke boodschap kan zich ontwikkelen tot een waarheid, een referentiekader en zo leidend worden in je leven. Gek genoeg geeft zo’n belemmerende overtuiging vaak een gevoel van veiligheid: je weet wat je krijgt. We houden ons graag vast aan hoe we denken dat de wereld er uit ziet. Maar helpen dergelijke overtuigingen je werkelijk verder?

-----------------------------------------------------------------------------

Disclaimer
De naam van de student in deze tekst is om privacy redenen gefingeerd. De tekst is gebaseerd op een daadwerkelijk gesprek, maar aangepast met het oog op de leesbaarheid.


Toelichting
Pedagogisch: Het is voor een opleiding soms een lastige spagaat: studenten die onvoldoende functioneren of presteren. Ze kosten geld, tijd, aandacht. Soms is het trekken aan een dood paard. Het lijkt dan gemakkelijker of zelfs beter om een student maar te laten stoppen. En soms is dat ook daadwerkelijk zo.
Ik denk echter dat in onderwijsinstellingen veel meer aandacht besteed kan worden aan wat ik ‘interne omstandigheden’ zou willen noemen: persoonlijke overtuigingen die belemmerend zijn voor de ontwikkeling. In veel opleidingen wordt dat gezien als iets wat buiten het curriculum valt en dus iets wat de student zelf moet regelen. Ik pleit er voor persoonlijke ontwikkeling en dus aandacht voor dat wat intern belemmerend is een plek te geven IN het onderwijs. Ik ben er van overtuigd dat de leeropbrengst daarmee vergroot wordt.
Maar bovenal: door aandacht te besteden aan ‘interne omstandigheden’, doen we wat, wat mij betreft, de belangrijkste taak is van onderwijs: we helpen iemand ontwikkelen.
Als we hadden meegewerkt aan de Zie je wel van Yasha en haar dus hadden laten stoppen met haar studie, dan hadden we haar bevestigd in haar overtuiging over zichzelf (zie je wel ik ben hier ook veel te ---vul maar in voor).  Die overtuiging zal haar remmen in elke ontwikkelingsmogelijkheid die zich voordoet in haar leven.  
Aan ons onderwijsgevenden is het wat mij betreft de taak studenten te doen inzien dat ze ook anders naar zichzelf kunnen kijken en zich kunnen bevrijden van wat de ontwikkeling in de weg zit.

Thematisch: op jonge leeftijd horen wij boodschappen van onze ouders. Soms worden die boodschappen letterlijk uitgesproken (je zus kon de tafels al in groep 5), veel vaker trekken we zelf conclusies uit impliciete boodschappen van belangrijke mensen in ons leven (mijn moeder moet altijd huilen als ik boos ben, dus ik kan beter niet boos zijn).
Een dergelijke boodschap kan zich ontwikkelen tot een waarheid, een referentiekader en zo leidend worden in je leven. Gek genoeg geeft zo’n belemmerende overtuiging vaak een gevoel van veiligheid: je weet wat je krijgt. We houden ons graag vast aan hoe we denken dat de wereld er uit ziet. Maar helpen dergelijke overtuigingen je werkelijk verder?
De Kleine Professor | Coaching & counseling

18 juli 2019

De stilstand van bewegen

Soms zie je het ineens: hoe mensen zich inhouden, zich aanpassen, hun emoties opkroppen. Het tikken van voeten, het klikken van pennen, het klemmen van kaken. 

Agitatie noemen ze dat ook wel. Agitatie kun je zien als één van de uitingen van passiviteit. Dat lijkt ergens gek, je kan namelijk heel druk zijn met tikken, obsessief je mail in de gaten houden, of gevoel wegslikken; je lijf is actief. Maar de passiviteit schuilt hem in dat wat je vermijd te doen: zeggen wat je er van vindt of waar je behoefte aan hebt. 

Met M heb ik het over zijn studie: hij staat er niet zo best voor. Hij stelt uit, komt niet opdagen, levert lage kwaliteit werk in. Studieontwijkend gedrag, kortom, een  geliefde term onder mijn HBO-collega’s. Ik bespeur enige vermoeidheid in mijzelf: we hebben dit gesprek al vaker gevoerd. Wat is er nodig om hem uit deze impasse te krijgen? Ineens zie ik zijn been. Het wiebelt. Er valt een stilte. De beweging wordt intenser. Iets in mij doet zeer als ik het zie. 

Passiviteit duidt vaak op miskenning: er is iets in jezelf wat je niet wilt horen, zien, erkennen. Zo lang je daar van wegblijft zet je jezelf klem. De stroming staakt, stagnatie slaat toe. 
M is passief. Niet alleen in zijn studieontwijkend gedrag, ook in de afwachtende manier waarop hij dit gesprek met mij voert. En M loopt vast. In zijn studie, in zijn leven. En dat is niet voor het eerst. Dat doet zeer. 

Ik deel mijn hypothese met M; dat hij zich afhankelijk opstelt, iets miskent in zichzelf en dat misschien al langere tijd doet. Zijn been stopt onmiddellijk met bewegen. Hij kijkt me aan, actief, een beetje boos misschien, maar wakker. En weer valt er een stilte. Een bewegingsloze stilte deze keer. 
Dan vertelt hij me over zijn basisschooltijd. Hoe hij zich verveelde en steeds slechter presteerde. Hoe hij niet gezien, maar wel beoordeeld werd. 

Zijn agitatie is verdwenen. Er ontstaat ruimte voor een beetje boosheid; even mag M zich uiten van zichzelf. En ineens ook komt er ruimte om anders te kijken naar het studeren, naar de passieve houding, en naar dat wat hij daar in anders zou kunnen doen. De opties komen van hem, niet van mij. Zijn kwetsbaarheid ontroert me. 

Later die middag zit ik op de fiets. Bij het stoplicht zie ik een man met zijn vingers knippen, terwijl hij luistert naar de vrouw die naast hem staat. De caissière later in de supermarkt draait haar ring om haar vinger, terwijl ze wacht tot de klant eindelijk de juiste pas gevonden heeft. Welk verlangens gaan er allemaal schuil onder al dat wiebelen en friemelen? 

En welke verlangens kun je herkennen in dit geniale voorbeeld van het Simplistisch Verbond?


09 juli 2019

De club van niet OK


Het is afstudeerdag op de opleiding waar ik werk: vieren en uitzwaaien tegelijk. Ik zie mij zelf al wat afstand nemen, in de observeerstand, me voorbereidend op het naderend afscheid. De zon schijnt en op het plein zie ik R, net haar diploma gekregen, wat rondwarrelen tussen de verschillende groepjes op het plein: een oppervlakkig kletspraatje hier, een slokje wijn daar, maar ondertussen het onbestemde gevoel: wat doe ik hier eigenlijk? 

We maken oogcontact. Ze komt naar me toe. 
'Hoe doe je het?' vraag ik. Ze haalt haar schouders op. 
‘Een beetje’, zegt ze en ze buigt haar hoofd. Ik knik. Ik herinner me mijn eigen afstudeerdag, meer dan 20 jaar geleden: intens, met mooie speeches, veel liefde, bloemen, wijn en ook zon. Precies als vandaag. 

Het schoolplein werd steeds leger, de familie ging weg en met een restje afstudeergenoten stelden we het afscheid nog wat uit in het café, in een vreemde mengeling van aangeschoten weemoed en dronkemansblijdschap. En later, diep in de nacht, lag ik in bed, met mijn beste vriendin N, die de laatste trein naar huis ruimschoots miste. 
Doodstil is het. Ik staar naar het plafond, probeer zo stil mogelijk te ademen, me zo klein mogelijk te maken, zo min mogelijk ruimte in te nemen. Aan alles hoor ik dat N ook wakker is, even stijf als ik ligt te wachten tot het ooit weer ochtend wordt, de dag begint, het leven weer verder. Dan neem ik een risico en vraag het haar: 
‘Ken je dat; dat een dag fantastisch was, er alleen maar mooie dingen gebeurden en gezegd werden, dat alles de hele dag OK was en dat je dan toch, ook al weet je dat het onterecht is, alleen nog maar lelijke dingen tegen jezelf kunt zeggen, alleen maar kunt zien dat je ergens een opmerking onhandig geplaatst hebt, alleen maar kunt focussen op wat nét niet goed was en hoe vreselijk stom, lomp, mijn god, hoe kón je, straf, straf, straf?’ Ik hoor haar grijnzen, in het donker.  
‘Heb jij dat nu?’ vraagt ze. Ik knik.
‘Ik ook’, zegt ze. 
We lachen. En we huilen. Waarom toch altijd dat lelijke gevoel, die lelijke stem, wat je ook doet, hoe de dag ook verloopt? Waarom? De gedeelde smart maakt het leed iets zachter en we vallen langzaam in slaap, tot het ochtend wordt, de dag begint, het leven weer verder. Het is de eerste keer dat ik mij besef dat ik het ben die mijn zelfbeeld in stand houd, dat de stemmen die ik hoor over mijzelf, de oordelen, de eisen, van mij zelf zijn. Het is het eerste - nog wazige - uitzicht op een keuze.  

Ik fluister de herinnering in het oor van R. Ze knikt en glimlacht. Ze kent het. J. is ook lid van de club van niet OK. 
‘Ik had gewoon gehoopt dat het anders zou zijn’, zegt ze zachtjes. Die ken ik ook, de hoop op anders. En nog iets verder weg verstopt: de angst daarvoor: wat als het ineens allemaal anders zou zijn? Hoop en angst komen samen. Daar zit de sleutel. 

Franklin Ernst (1971) verzon ooit het OK-kwadrant: een schema van 4 houdingen ten opzichte van jezelf, de ander en de wereld om je heen; 4 vensters waardoorheen je kijkt. 
Je nam ze over van belangrijke ouderfiguren in je leven en/of ontwikkelde ze onder invloed van gebeurtenissen, die je duidde vanuit een nog niet logisch denkend kinderbrein. 

Meestal, wanneer er niets aan de hand is, zijn wij gewoon OK met onszelf (Ik +) en met de ander (Jij +). Maar zodra er iets moet, er stress ontstaat, druk, spanning, dan zet je een van de andere brillen op, en zie je de wereld door een filter dat je goed kent, dat je vertrouwt is, dat op een bepaalde manier veilig voelt:
  • Ik ben wel OK (IK + ), maar de ander niet (jij - ): die gedraagt zich belachelijk, heeft geen idee, hield een slechte speech voor je, omdat ze onvoldoende betrokken was, etc.
  • Jij bent wel OK, maar ík, ik verpest het altijd, ik moet altijd iets stoms zeggen, ik ben nooit goed genoeg. Ik ben niet eens in staat om… je herkent wellicht de bril waarmee zowel vriendin N als ik in bed lagen. 
  • Of: zowel ik als de ander, of eigenlijk de gehele wereld is niet OK. Het heeft ook helemaal geen zin. Dat hele afstudeerfeestje is één grote farce, plastic. Wat doe ik hier? Wat is dat hele diploma uberhaupt waard? (Ik -, jij -) 

Het lijkt een gegeven geworden: de bril waarmee je naar de wereld kijkt, het referentiekader dat je zicht bepaalt wanneer je onder druk staat. Maar het is geen gegeven. Het hoeft niet altijd zo te zijn. 
Door je bewust te zijn van bijvoorbeeld het kwadrant van Ernst kun je jezelf bevragen: wat heb ik nodig om OK te zijn, of om de ander OK te houden?
Want alleen in Ik +, jij + kun je goed functioneren. Daar kun je tevreden zijn over wat je hebt bereikt - je diploma halen, een gekke dag als een afstudeerdag doorkomen zonder schade op te lopen of te maken, en kun je ook mild kijken naar anderen; die speech die tegenviel. Je weet ook wel hoe druk zij ihet heeft en hoe spannend ze speechen eigenlijk vindt. Pas dan kun je op het plein zitten, de zon je huid voelen verwarmen en om je heen kijken, de dag nemen zoals hij is: een tikje feestelijk, een tikje weemoedig. Maar OK. 

Ik geef R, een knuffel. 
‘Een beetje is al best veel’, zeg ik. ‘En ik vind je fantastisch’. 
Ik hoop R, dat je ergens in de verte de keuze ziet gloren. De keuze om jezelf en de ander OK te vinden, wat er ook gebeurt. En zelfs trots te zijn op de stappen die je, dwars door alle filters heen, hebt gezet. Trots te zijn op dat je de hoop hebt durven laten winnen van de angst. 

juli 2019


Bron: Hay, Julie. We lossen het samen wel op, Transactionele analyse op de werkvloer.

08 december 2017

keuze

Zes is ze. Tijd om de twijfel in het leven toe te laten. 
Vorig jaar zag ik het bewustzijn ontstaan. De regenboogpiet verhult iets sneller zijn ware aard dan de diepzwarte met rode lippen die ik verafschuw. Ze herkende iemand. Ik zag haar kijken. En er niets mee doen. Dit jaar zag ik voor het eerst een vastberaden beslissing. 

Hoe meer bewustzijn er is, hoe meer er is om te zien: smoezende ouders, gebreken in de kleding, sinterklaasinpakpapier in de kast.
‘Mama, hoorde je wat Sinterklaas tegen mij zei?’
‘Nee lieverd, wat zei hij?’
‘Hij zei: Ik geloof dat ik jou ergens van ken. Maar dat is toch gek, mama?’
‘Hoezo meisje, Sinterklaas kent toch alle kinderen?’
‘Daarom juist mama, dan hoeft hij dat toch niet zeggen?’

Ik sta met mijn bek vol tanden. Als ouder loop je altijd achter. Ik becomplimenteer haar argumentatievermogen en betrap mezelf op enige opluchting. Het licht gaat aan. Langzaam kan ik haar vanaf hier meenemen de wereld van de gelaagdheid in. Niet alles is wat het lijkt. 
Ik heb al jaren, naast melancholisch plezier, ook moeite met het Sinterklaasfeest. Natuurlijk zie ik de waarde en de schoonheid van de magie van een oude man met cadeautjes voor kinderen, maar meerdere elementen aan dit volksfeest staan mij niet aan. Ik kijk er naar uit dat ik mijn dochters in deze op gelijke voet kan zetten. En de eerste stap is gezet. 
Toch?

‘Het was denk ik een hulpsinterklaas, mama. Sinterklaas heeft het toch heel druk nu? Het was een hulpsinterklaas. Leuk he, mam? We hadden een hulpsinterklaas!
Mag ik vanavond mijn schoen zetten?’

Geloof is een keuze, denk ik en ik glimlach.
‘Ja lieverd, gezellig, vanavond zetten wij onze schoen.’

29 maart 2017

vliegen

Vijf minuten. Gewoon, omdat ze zeggen dat het beter is. Vijf minuten voor mezelf. Ik zit op de rand van het bed. Ik pulk de niet zomaar wegwasbare restjes luierinhoud onder mijn nagels vandaan, het zandbakzand, het straatvuil. Ik draai mijn hoofd, een rondje, voel de stijfheid in mijn nek, mijn schouders. 
De telefoon ligt op het nachtkastje. Er komt een mailtje binnen. Student A laat weten dat haar scriptie af is, of ik hem voor vanavond kan lezen. Dat doet me denken aan student M die ik even achter de broek aan moet zitten. En mezelf trouwens ook, zaterdag moet er een flink verslag ingediend. In mijn hoofd zie ik de takenlijst voor vandaag groeien. Dat duurt niet lang. Beneden dwingt de kleuter de peuter om te hinniken als een paard. Peuter wil niet, kleuter wordt boos. Er valt iets. Er breekt iets. Ik kijk op de klok. Drie minuten pas. 
Door het raam kijk ik naar de boom waarin de houtduif huist. De duif vliegt net op, met veel gefladder en schuddende takken wurmt hij zichzelf uit de dichte begroeiing en vliegt weg. Het is mij een raadsel hoe zo’n dik en log wezen kan vliegen.
Ik zucht en sta op. Nog één minuut te gaan vandaag.

16 mei 2016

koninkrijk

Eerst pak ik de stoptrein in plaats van de intercity. Pas halverwege kom ik daarachter en weet ik dat ik te laat zal komen. Natuurlijk mis ik de bus en vind ik de taxi te duur. In een ijzige wind wacht ik op een volgende bus; een klein formaat, een kwart van een normale bus, ongeveer. We rijden door bosachtig gebied. Ik kijk naar buiten. Natuurlijk ben ik daarom te laat met op het knopje drukken en rijden we mijn halte voorbij. 
Het busje is niet zomaar klein. Hier komen weinig mensen. Hier liggen de haltes ver uiteen. Teruglopen is te ver, dan haal ik het eind van de bijeenkomst niet eens. Dus neemt de buschauffeuse me mee naar het eindpunt en naar de halte terug waar ik moet zijn. Ik mantra tegen mijzelf: het is zoals het is. Het is ok. Beter te laat dan niet. Ik krijg hier geen stress van. 

‘Ik heb zo’n dag’, zeg ik, als het busje is omgekeerd.
‘Nou, praat me er niet van’, zegt de chauffeuse. ‘Ik ook. Kom ik net nog mijn badkamertje ingelopen, zit daar ineens zo'n dikke pad!’ Haar stem is doorrookt diep en hees. Ze lacht hard. Ik kijk naar haar geaderde handen aan het stuur, terwijl ze me vertelt over hoe ze probeerde de pad te vangen met een glas en een krant. ‘Maar ik moest weg.’ Ze kijkt me aan door haar spiegeltje. ‘Om jou op het juiste pad te zetten, toch?’ Ik glimlach.

‘Vind je hem eng?’ vraag ik.  
‘Neuh. Ik ben gek op dieren, geloof me. Ik houd meer van dieren dan van mensen, zeg ik maar. Maar, ik moet zeggen, hem zo even beetpakken...’ 
‘Een stoere buurman misschien?’ vraag ik. 
‘Ja daaag, die maakt hem dood. Mannen zijn mietjes. Nee, ik regel dat zelf wel als ik er dalijk weer ben. Ik ben al heel lang alleen, snap je. Ik kan dat prima. Ik regel alles zelf. 

‘Misschien moet je hem dan toch kussen’, zeg ik. 
‘Ja nou dat zat ik nou ook net te denken! Niks zo'n dag vandaag. Blijkt dit toch dé dag van me leven te zijn!’ Haar lach gaat over in een hoestbui. Als ze uitgehoest is remt ze af. ‘Meissie, hier moet je zijn. Je bent nou tenminste wel meteen aan de goede kant van de weg. Zo zie je, ook voor jou is deze dag zo slecht nog niet. Samen komen wij d’r wel uit, wat jij?’ Ik stap uit. ‘Je moet nog uitchecken!’ Roept ze. We moeten allebei lachen. Ik stap weer in. ‘Nou dat was toch gezellig’, zegt ze. ‘Ik ben blij dat ik je over mijn pad heb kunnen vertellen. Ik weet niet of ik je nog eens zie, maar….’ 
‘Misschien ben ik dan onderdaan in jouw koninkrijk, zeg ik.’ Weer neemt de hoest haar lach over. 
Ik check uit. ‘Dank je wel, hé’ zeg ik. 
‘Zet m op meissie.’ Als ze wegrijdt toetert ze nog. We zwaaien. 
Dik een half uur te laat ben ik. En blij.

22 februari 2016

wakker

De metro is vol. Iemand twijfelt, gaat toch niet zitten, loopt weer weg. Gauw benut ik het laatste vrije stoeltje. Het was een lange dag, En ik moet nog door. Ik zucht. De jongen naast me kijkt opzij.
‘Zo,’ zegt hij. ‘Da’s een diepe.’
‘Tja’, zeg ik. ‘Soms moet dat even.’
‘Is dat zo?’ vraagt hij.
Ik ben niet zo goed in gezellig chitchatten en nadenken tegelijk dus knik ik maar.
‘Volgens mij wel.’ In mijn hoofd zegt Joop: Een zucht geeft lucht.
Maar mijn buurjongen, die mij vrolijk aankijkt, geeft niet zomaar op.
‘Ben je moe?’
Ik knik. Ik ben eigenlijk, denk ik, gewoon even ‘in between’. En ik houd niet van chitchatten. Maar dat is weer zo onaardig.
‘De powernap’, zegt hij. ‘Heb je dat wel eens geprobeerd?’
Ik schud mijn hoofd. Ik doe dat nooit. Ik zou willen zeggen: Daar heb ik geen tijd voor. Maar dat klinkt dan weer zo gefrustreerd.
‘Ik heb erover gelezen’, zeg ik dus maar. ‘Het schijnt te werken.’
‘Het werkt’ zegt hij vastberaden. ‘En weet je wat écht werkt? Je moet eerst een espresso drinken. Een espresso en dan meteen gaan slapen.’
Ik kijk hem verbaasd aan. Hij ziet er fris uit. Vrolijk ook. Lief ook eigenlijk. Hij kijkt me aan, niet vluchtig, maar echt.
‘Weet je waarom?’ vraag hij. Ik trek mijn ene wenkbrauw op. Hij leest mij goed.
‘Een goede powernap duurt precies 20 minuten. Daarna kom je in je diepe slaap en als je daaruit wakker moet worden ben je heel moe. Die espresso die doet er precies 20 minuten over om opgenomen te worden in je bloed. Je wordt dus precies op tijd wakker!’ Hij lacht. Enthousiast is hij. Hij heeft geen powernap nodig. ‘Goed he?’
Ik lach ook. Ik kan er niets aan doen.
‘Ik ga het proberen’ zeg ik. ‘Dank je wel.’
‘Ik moet er uit’, zegt hij. Hij staat op. Hij verlaat de metro. Als de metro hem passeert zwaait hij nog even naar me. Ik glimlach.
Vandaag heb ik geen powernap meer nodig.
Geen espresso ook.

19 november 2015

eerlijk

De samenleving verhardt. Ze zeggen het al jaren. Harder wordt het. Harder en harder. Maar wat betekent dat? Deze week weet ik het. De belastingdienst eist dit, schaft dat af. De politiek dwingt me tot dat. Ik kan niet langer zomaar. 

Ik pas mij aan. Onderdeel van het systeem ben ik. Dus het systeem ben ik. De enige keuze is die tussen veel boos of een beetje. Langdurig of kortstondig gefrustreerd. Mokken en verzuren of slikken en doorgaan. Het geloof (in Maakt niet uit Wat) wordt beproefd. Waar sta ik voor? Welke waarde blijft bestaan? 

Gisteravond. De Algemene Leden Vergadering van onze kleine woningbouwvereniging. 75 mensen in het zijzaaltje van de buurtkerk. Het eerste uur praten we over de groenregels, het sinterklaasfeest, het gebruik van het gezamenlijke badhuis, het wel of niet boren in de voegen van het monument. Bespottelijk onbelangrijke zaken. Toch ben ik trots. 

In het laatste uur wordt de nieuwe woningwet toegelicht. De termen en bedragen vliegen ons om de oren. Dit moet, dat mag niet langer. De Kleine vereniging staat onder Grote druk. Het gevoel dat de hele week al overheerst laait op. Iets met oneerlijkheid. Calimero. Onmacht. Ontkracht. 

En weer denk ik aan de kleuters. 

Vorige week verbood ik het ze: na een uur elkaar in de weg zitten, mopperen, duwen (dit is van mij, dat mag jij niet) spraken we het af: ‘Dat is niet eerlijk zeggen we vandaag niet meer. Gewoon niet.’ Ze knikten. Beteuterd. Ze bromden en porden nog wat na. Probeerden het nog een keer. Maar deden het toen. En speelden. Hard.

05 november 2015

dragen


Voorzichtig ben ik, als ik haar probeer uit te leggen hoe het zit: 
‘Als je heel oud bent, héél oud, ouder nog dan opa en oma, dan ga je dood.’ Ik slik. 
‘Dat weet ik al lang, mama’ zegt ze. ‘Net als grote oma. En EJ. Die zijn ook dood, toch?’ 
Klopt, meisje. Die zijn dood. Maar EJ was ziek, weet je nog.  Heel ziek. Als je héél ziek bent ga je ook wel eens dood.’
‘Jaha, mam. Net als Sieg. Sieg was ziek. Hihi, dat rijmt!’
Klopt, mop. Sieg was ziek. En dat rijmt een beetje.’
‘En nu is Sieg dood.’

Met drie overledenen in één week is dood een thema. Maar voor wie eigenlijk, vraag ik mij af. F rijgt haar kraaltjes aan een lange draad en zegt:
‘Kijk mam, deze vind ik de allermooiste. Deze. Kijk!?’

Niet veel later sta ik in een haag voor een kerk. De kinderen van oma M, zelf al op leeftijd en in lange zwarte jassen, dragen haar kist naar kerk. Ze lopen tussen hun eigen kinderen door. Wij glimlachen naar hen. Zij glimlachen naar ons. We drukken de tranen zachtjes weg. De generatie die draagt wordt gedragen. 
Ik denk aan F. die haar kraaltjes rijgt. Zij vervult al de lichte taak van het dragen. 

‘Is oma M nog steeds dood?’ vraagt ze als ik haar ’s avonds naar bed breng.
‘Ja, lief,’ zeg ik. ‘Oma M. is nog steeds dood.’ 
‘Wij niet hè mama? Wij zijn toch niet dood?’ 
‘Nee meisje. Zo is het. Wij zijn leven.’  

26 oktober 2015

stof

‘Nou’, zegt H, ‘je hebt weer genoeg stof voor je blog.’ Ik glimlach. Ik weet hoe dat gaat; als iemand anders het voorzegt, dan is het niet zo. Blogs moeten ontstaan, gebeuren, overvallen liefst. De waarheid wordt je niet aangewezen of opgedragen. De waarheid overrompelt je. De waarheid bespeur je pas achteraf, als zij al weer voorbij is.

Toch glimlach ik. Ik word steeds beter in het leven. Vroeger zou ik geïrriteerd zijn. Denken bemoei je er niet mee, het gevoel hebben dat me iets werd afgenomen. Nu glimlach ik en aanschouw waar H op doelt: 

Onze kleuters hebben een dode vlieg gevonden. Ze willen hem begraven. Ze hebben hem op een zilveren bordje gelegd en staan voor de voordeur. Ze moeten hun jassen aan van ons. Hun sjaals om. Nou vooruit, de wanten hoeven niet, want met wanten aan kun je geen graven graven. Het duurt lang. De kleuters zijn ongedurig. Wie een taak heeft voert hem zo snel en zo goed mogelijk uit. 

Eindelijk mag de deur open. Grote Hond Pien springt op ze af, zodra ze een voet naar buiten zetten. Kleuter F houdt het zilveren bordje hoog boven haar hoofd. Scheef. Natuurlijk scheef. Kleuters met al hun onhandigheid. Kleuters met al hun goede bedoelingen. De vlieg valt van het zilver. Weg. Grote Hond Pien smakt nog wat na. 

Even is het stil. Wij wachten af welke kant het op gaat. Kleuter F kijkt naar de grond. Kleuter T heeft niets gemerkt en rent naar de beste begraafplek. 

Is dit stof voor een blog? Ik kan toch niet altijd over de kleuters schrijven, of over de baby’s? Of over de strubbelingen van het moederschap? Ik schrijf toch over de werkelijkheid, over de altijd mislukkende gang van de dag? 

Ok. 
Ik slik. 
De vlieg - het leven - het zilveren bord. De stilte die volgt. 
Dit is stof voor een blog.

27 augustus 2015

ongemakstolerantie

Klein is ze ineens. Vorige week op de crèche nog de oudste, de stoerste, nu ineens weer een klein meisje, ineengedoken op een te groot stoeltje in een nog bijna lege kring. We zijn op tijd. Een beetje te op tijd eigenlijk. Je wilt niet te laat komen in de eerste week. We hebben gehaast, de boterhammen naar binnen gepropt, het trommeltje in de tas gefrommeld en nu zitten we hier.

De juf glimlacht. ’Ben je daar weer?’ vraagt ze. Mijn meisje kruip weg achter mijn rug. Kom maar liefje’, fluister ik. ‘Het went vanzelf.’ Mijn fluisteringen zijn minstens even welkom in mijn eigen oren, in mijn eigen volle hart. Het went. Vanzelf. Het went. 

Gisteren thuis was ze weer haar grote zelf en vroeg ze: wanneer mag ik óók de hele dag naar school? Ik vraag het aan de juf. Even bespeur ik een lichte frons in haar gezicht. Daar heb je er weer zo één. Zo’n moeder die het beste wil. Zo’n moeder die het zelf wel weet. Z’n moeder die moet werken, niet kan wachten, denkt dat háár kind nét… Ik duw het denken weg en luister wat ze zegt. ‘We kijken hoe het vandaag gaat’, zegt ze. Ik knik. ‘Ze voelt zich soms wat eenzaam’, zeg ik ook. ‘Dat is normaal’, zegt ze. ‘Zo gaat dat. Het went. Het went allemaal vanzelf.’ 
Ja maar, denk ik, je kunt haar toch helpen? Je kunt haar toch vasthouden? Je kunt haar toch een vriendje geven? Je kunt toch… Ik duw het denken weg. Ik weet beter. We lezen een boekje over M. Muis breit een Muts voor de Maan.  

Het belletje rinkelt. Mijn meisje geeft me een kusje en zegt: ‘Je moet gaan nu.’ Even kijk ik om me heen. Ja, zo was het. Ik was de mama. Ik moet nu weg. Zij mag blijven. Het went wel. Alles went vanzelf. Ze zwaait nog dapper naar me. Dan krimpt ze weer ineen op haar te grote stoeltje, tussen alle kindjes, in de kring.


22 juni 2015

eer

 
De tijdelijke To Go is smal. Veel te smal voor al die mensen met dikke rugzakken die koffie willen, koeken moeten betalen, haast hebben en ieder contact vermijden. Zolang iedereen gewoon meedraait in het systeem kan het nét zonder al te veel rimpelingen; ieder zijn koffie voor in de trein. Niet meedraaien is geen optie. Dan stagneert de stroom. 

Hij trekt mijn aandacht door zijn lichte verwarring. Tussen doelgerichte, efficiënte, in zichzelf gekeerde mensen, zoeken zijn ogen de ruimte door. Hij heeft zijn rugzak tussen zijn benen gezet, een hete koffie in zijn ene hand, zijn portemonnee in de andere. Stilstand in de stroom. Hij kijkt naar de zelfscankassa's, waar de een na de andere klant haastig scant, pint. Hij kijkt om zich heen, zoekt een caissière, een medewerker, hulp. Onze blikken raken elkaar. Ik glimlach naar hem. Hij knikt. Het is genoeg om zijn schaamte te doorbreken. 

'Hoe werkt dit?' 
'Je moet zelf scannen', zeg ik. Ik wil het hem laten zien, maar hij verdraagt het niet. 
'Jaja' , zegt hij en hij loopt naar een vrije betaalplek. Ik volg zijn gang, terwijl ik zelf mijn cappuccino scan. Hij staat voor de zelfscankassa. Ik zie hem turen, twijfelen. Hij houdt zijn pinpas tegen het scherm. Zijn gezicht blijft neutraal, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, alsof hij gewoon eervol onderdeel uit maakt van het systeem. Hij maakt geen contact meer, met mij niet, met niemand niet. Hij drukt een dekseltje op zijn koffie, recht zijn rug en loop de zaak uit. 
Zijn koffie in de ene hand, zijn portemonnee in de andere. Niet betaald. Wel koffie. En door.

15 mei 2015

bewaard

Ik staar naar mijn beeldscherm, naar de rouwkaart van iemand die ik niet ken, die ik wel eens gezien heb, die in mijn nabijheid verkeerde, maar die ik nooit sprak. 
Plots verdween ze uit het leven.

Heel even voel ik de leegte die iemand achterlaat. Ouders, broers, zussen, familie, de klas, de vrienden, de liefdes, de buren, de vrienden van vrienden, de ouders van alle jonge mensen.
Immens groot, zo’n jong leven. Ik denk aan Facebook. Ik denk aan de kroeg. Ik denk aan alle mogelijkheden, aan alles wat nog uitgevonden, uitgeprobeerd, doordacht, afgeschreven, toch gedaan moest worden.

Een onvatbaar grote leegte. Ik sluit mijn ogen. Haar glimlach schijnt na op mijn netvlies.

Wat doe je met digitale rouwkaarten? Bewaren? Maak je er een map voor aan op je harde schijf? Of in the cloud? Print je ze uit en doe je ze in een doos? Stuur je ze door?
Met zo veel liefde gemaakt, met zoveel zorg vormgegeven, met zoveel aandacht - als de eerste keer aankleden, de eerste keer in bad.

Nog steeds haar glimlach. Mooi is ze.
Ik sluit het bestand. Ik sluit de mail.

Een bericht in een mapje Bewaren.

25 maart 2015

haren los


'Weet je deze nog?' vraag je
Ik kijk en knik, nog half in de moedermodus (ja schat, mooi hoor, speel maar lekker door) en zie dan pas wat je me laat zien. Het is een foto. Een oude foto. Van mij. Je zoekt verder en vindt de datum. Je wijst er naar; je zegt hem niet hardop. Vijftien jaar geleden is het. Een foto op een strand. Met losse haren.
'Wat déden we toen?' vraag ik. Jij glimlacht.

'En dit,' zeg je een paar minuten later, 'kijk dit!' Je laat een mapje zien met half-affe dingen. Ansichtkaarten die we nooit hebben uitgebracht, spreuken die we niet de moeite waard genoeg vonden om de wereld in te sturen, filmpjes die het nooit tot een einde brachten.
'Wauw' zeg ik. Jij kijkt verder. Ik kijk mee nu, vergeten wat ik eigenlijk zou doen. 
'Laat die eens zien? En die?' Jij opent een bestand. We zuchten. 'Mooi hé, eigenlijk? Wat deden we dat goed'.

´Zullen we?´ zeg ik nog zachtjes, maar je hoort me al niet meer. Je kruipt steeds dieper in je beeldscherm en mompelt wat. 'Ja, zo ja, mooi ja. Ik kan het nog, het gaat.'
We doen het nog, we hebben eigenlijk geen tijd, maar doen het toch, gewoon.
We hoeven niet te zullen
moeten niet, maar voelen dat het nog niet over is
ja
ja mooi zo
speel maar door

19 februari 2015

Van waarde

'Ga je, mama?'
Ik knik. Ik moet gaan. Mama gaat werken. 
'Kom je vanmiddag weer thuis?'
'Ja liefste, vanmiddag kom ik weer thuis.'

Drie tassen zeul ik mee op mijn rug. Computer, boeken, kolf. Ik fiets op een fiets die niet geschikt is voor rokjes, laat staan voor drie tassen. De mamafiets met kinderzitjes, extra standaard en boodschappenmand blijft thuis voor wie opppast. Ik draag een rokje en vraag mij af of dit nu mijn nieuwe identiteit is: een snelle fiets, maar te zwaar beladen. Stoere mogelijkheden, maar beperkt door een braaf uiterlijk. Het verlangen van een twintiger, de dagbesteding van een bijna veertiger met kinderen. Er schuurt ergens iets.

'Mindset' zei M. nog bij het ontbijt. Dus prent ik mij in: Het is een mindset. Gewoon een mindset. Ik kan dit. Ik kan het allemaal.
De plek waar ik wil werken is nog dicht. De riem van de computertas snijdt in mijn schouder. Mijn vrolijke rode laarsjes moeten eigenlijk heel dringend gepoetst. Ik slenter langs de Oude Gracht, alsof ik niets te doen heb, alsof ik geen 25 kilo meesleep, alsof het allemaal zomaar kan. Het is een mindset. Als je niets hoeft, hoef je niks. 
De zon breekt door. 

'Ik ben een leukere moeder als ik werk.' Ik hoor het mezelf zeggen. Vaak eigenlijk. Het is waar, dat weet ik zeker. Maar toch moet het opvallend vaak gezegd. Opvang, geregel, gesleep. Een opgepoetst gezicht. Een mantra die op barsten staat. Laarsjes die al maanden niet gepoetst, haren die al veel te lang niet geknipt, ramen die al seizoenen lang niet gezeemd zijn. Maar ik ben leuker als ik werk. Echt waar. 

Het is tijd om te beginnen. Stekker in het stopcontact, laptop open. Tabula rasa en beginnen maar. Ik ben begonnen. Het is een mindset. Ik kan het. Ik ben leuk.

09 februari 2015

Dag hoor, dag


Ik denk terug aan hoe we - lang geleden al weer – samen naar de supermarkt wandelden. Niet naar de bakker op de hoek, want ‘daar komen we nooit’. De goede bakker is te ver. Naar de supermarkt dan maar.

'Wat wil je?' vraag ik. 
Je haalt je schouders op. 'Doe maar wat.'
'Oma, zeg nou wat je lekker vindt.'
'Doe maar die jij neemt.'
'Oma, ik neem juist die jij lekker vindt, hoe moet dat nou?'
Je lacht. 'Doe dan die maar', zeg je en wijst naar de taartjes die in de aanbieding zijn.
'Vind je die lekker?' vraag ik.
Je murmelt wat ontwijkends en we slenteren naar huis, langzaam want je kan niet meer zo hard.

'Je hoeft niks meer, oma' fluister ik gistermiddag nog zachtjes in je oor. 'Niets meer te kiezen, niet meer te zeggen wat je wilt. Het is goed.' Je adem reutelt en valt stil, het lijkt minutenlang en dan weer ademt je, diep in een paar diepe halen, dan weer niets. We hoeven niets te vragen. Het lijf bepaalt. Ik kijk. We wachten. Een leven lang in een lichaam wonen maakt je tot dat lichaam. Oma ademt. Even nog. Dan zal ze gaan. 1920 staat er op haar polsbandje. 1920, oma. Weet je nog? Wat moest je toen met een mening? En in 40? En in 55?

Ik wrijf haar haar opzij en strijk over haar wang. Ik wil haar liefkozen, al jaren, maar ze reageert niet. Haar haar is dik haar wang is zacht, haar vel zo dun als folie. Twee kusjes als je komt, twee kusjes als je gaat. 'Ja', zeg je dan en 'Dag he?  Dag hoor, Fijn dat je er was.'

IM Alies Kreike, 18 december 1920 - 8 februari 2015

30 januari 2015

wakker


‘Mama, mama, ik heb snot!’ De peuter bijna kleuter gilt vanuit haar kamer. Ze bedoelt dat ik moet komen. Nu. Ik roep terug:
‘Snuit zelf maar even, lieverd. Dat kun jij al, weet je nog? Ze roept terug: 
‘Mama, Sno-ooot!’
‘Er ligt een papiertje op je nachtkastje!’ roep ik. 
‘Mama, komen, nu!’
De baby huilt in haar wiegje naast ons bed. Ze heeft koorts. Ze werd om de drie uur wakker de afgelopen nacht. De peuter bijna kleuter heeft vannacht ook koorts gekregen en hoest als een hond van formaat. Beneden jankt de kat alsof hij stervende is. Ook hij heeft koorts. Ik zeg tegen mijzelf: zij voelen zich allemaal rotter dan ik. Rotter dan ik. Rotter dan ik. Dan sta ik op. Niet zuchten, denk ik. Ik zucht. 

Ik veeg de neus van de peuter bijna kleuter. Er zit snot in haar haar. Er zit snot op haar kussen. Ze huilt. De baby wil drinken. Opgedroogd snot is over haar gezichtje verspreid. De kat wil iets onbestemds. Hij heeft geen snot, maar ziet er verfomfaaid uit. 
Ik bereken hoeveel tijd er nog is voor ik weg moet. Ik pak mijn kleren van de stoel. Op mijn vestje zit een vlek. De wasmand zit vol. 
Niet zuchten denk ik. 

De peuter bijna kleuter is inmiddels in ons bed geklommen. Ze knuffelt de baby, die daar ligt te wachten tot ze eindelijk aan de beurt is. Kijk mama, de baby vindt mij lief, zegt ze. De baby lacht. Een grote snottebel komt uit haar neus. Snot vermengt zich met snot. 
Nog één keer kijk ik op de wekker. Ik heb nog een uur. Er kan nog van alles mis gaan. Toch kruip ik terug in bed. 

‘Ben je ook ziek, mama?’ 
‘Nee’, zeg ik. ‘Ik ben niet ziek. Ik vind jullie lief.’

13 augustus 2014

(Be)Lang

Ik kijk om mij heen. Mijn verscherpte blik neemt ieder hoekje van het huis in zich op. In mijn gedachten vormt zich een lijst: de kast uitmesten, de laatste boekenplank ordenen, de piano poetsen, de keukenla opruimen, de vloer dweilen. Ik verzin altijd iets. Ik wist niet dat ik het kon. 

Ik ben met Verlof. Dat heet eigenlijk: Het Grote Wachten, maar vrouwen houden het begrip verlof liever in stand. Mijn dagen zijn geteld, het zal niet lang meer duren voordat alles in mij zich opoffert aan een nieuw leven. Nu nog kan ik Iets Betekenen, Zin Hebben, iets doen dat Van Belang is. 
Helaas kent heel de wereld het begrip verlof en houd iedereen zich daar strikt aan. Ik heb dus geen werk. En iedereen laat mij Met Rust. De boekhouding is al gedaan, de website bijgewerkt, de acquisitieplannen staan klaar, het laatste studieboek heb ik gelezen (dat is niet waar, dat lukt steeds niet, maar dat wil ik mezelf niet toegeven). 

Dus richt ik mij op mijn directe omgeving. De babykamer is af en alles wat daarvoor nodig was aan herschik, verschuif, weggooi en schoonmaak ook. De keuken is heringedeeld voor de magnetron (nooit meer flesjes uitkoken), de kleding is uitgezocht, evenals de boekenkast. Maar de tijd is nog niet op. Dus ik verzin nieuwe klusjes, nieuwe Belangwekkende taken, nieuwe zaken die toch zo goed zijn om 'nog net even lekker gedaan te hebben voor het zo ver is'.  

Als ik moe ben - gauw en vaak - zit ik op de bank en kijk om me heen. Ik onderdruk de duisternis die opkomt. Zwanger zijn is ook zinnig, zeg ik tegen mezelf. Nog een keer. Nog een keer. En ik verzin iets nieuws. Het verzilverd bestek van oma kan wel eens gepoetst. De ruimte tussen de planken van de houten vloer is soms erg vies. De theedoeken kunnen ook op kleur gesorteerd in de kast. 
De buurvrouw - ook zwanger - komt even langs. Ze lacht deemoedig als ze ziet waarmee ik bezig ben. 
'Wat duurt het lang, hè?' zegt ze. Veel meer hebben we niet uit te wisselen. Ik bevind mij in een vacuüm. Alles om mij heen moet Opgeruimd En Schoon, opdat ik in ieder geval mijzelf nog kan wijsmaken dat ik grip heb op en waarde in een wereld die groter is ik. 

'Het duurt lang', zeg ik en wrijf de vloer nog maar eens aan. 

05 december 2013

kom

Parmantig steekt ze haar vingertje in de lucht, zodra ze het deuntje herkent. Ze maakt haar ogen groot en vormt met haar lippen een O. O, verwachting. O, verlangen.
'Hij komt, hij komt', zingt ze.
'Komt hij, Fenna?' vraag ik. Ze knikt, in volle overtuiging. Hij komt.
'Wie dan eigenlijk?' vraag ik, verhulde schooljuf die ik ben.
'Sintekaas', zegt ze.
'En dan?'
'Sartepiet'
'Zwarte piet?'
'Ja! Samen zingen!'

Het verlangen is geplant. Net twee is ze, vol van het niet weten wat straks is, morgen, later. Ze kent alleen het nu en nu ook: Sintekaas, die komt.
'Mama zingen', zegt ze, terwijl ze haar heupjes heen en weer wiegt op de klanken van Zie ginds komt de stoomboot. Ik knik en zing de woorden die ooit even diep in mij geplant zijn, lang voordat ik wist wat ze betekenen, heel lang voor ik wist van de zuigende kracht van het verlangen.
Het komt. We weten niet wat, we weten niet hoe. Het komt.

'Zingen, mama!'
Samen zingen we.
Ik strijk de piekerige haartjes achter haar oor.
Hoe waaien de wimpels, al heen en al weer. 

16 september 2013

zondagse zaken

Moe zijn we. Tussen de beginnende herfstdruipneuzen en -buien door drinken we koffie in de tuin. De peuters scheuren op loopfietsen en andere peutervoertuigen over het gedeelde tuinpad. Als er even niet gehuild of gesnoten moet worden en de fietsen eventjes naar ieders zin herverdeeld zijn, zuchten we. 
‘Kwart voor zes al’, zegt de buurman, papa van de tweeling. Ik kijk hem vragend aan. ‘Toen werden ze wakker. Ik probeerde ze nog uit te leggen  dat dat veel te vroeg was, maar daar waren ze het niet mee eens.’  Ik knik. 
‘Fommel’, zegt de ene peuter en trekt aan mijn broekspijp, waar een flinke chocoladepastavlek op zit van het ontbijt. Soms helpt negeren, soms vergeten ze heel snel wat ze eigenlijk willen. 
‘Ik was laat, maar stond wel om 4 uur melk te verwarmen en luiers te verschonen’ zeg ik. De buurman knikt.
‘Fommel. Mama Fommel!’ 
We kijken elkaar aan. 
‘Ook Fommel, papa. Pappa, Fommel!’ Zij trekken elk aan een van zijn broekspijpen.

‘Wat is er?’ vraag ik aan die van mij. 
‘Fommel. Wil Fommel. Mama helpen.’
Die van hem gaan er dwars doorheen: ‘Nee ik fommel. Ik fommel eerst!’ Er vallen wat druppels, maar de regen zet niet door.

‘We kunnen niet allemaal tegelijk op de fommel’, zegt de buurman. Ik glimlach. Vermoeidheid maakt passief. Passiviteit is besmettelijk en uit zich op jonge leeftijd in jengelen, huilen, niets goedvinden, niets willen en huilen. Wij weten dat heel goed. Dus hijsen we ons uit onze stoelen, hangen de schommel klaar en stellen een verdeelsleutel op. Iedere peuter even, om de beurt, de nietschommelpeuters maken neppannenkoeken op het houten gasfornuis. 
Ik duw. De buurman zorgt dat de andere twee niet door de schommel gelanceerd worden tijdens het pannenkoekenbakken. 
‘Mama hard!’ roept die van mij, die als eerste mag fommelen. Ik duw harder en neem tussendoor de laatste slok koudgeworden koffie. Het is zondag, elf uur. Het laatste beetje zomerzon schijnt tussen de buien door op onze gezichten. We zingen. De laatste regel zo hard als het kan: 'Nóóóóóóóóóit kwam Berend botje meer om!'